Utrechts Universiteitsblad DUB

Eind 2011 vernam ik dat DUB, het digitale magazine van de Universiteit Utrecht, een columnwedstrijd uitschreef. Ik besloot als eerstejaars masterstudent mee te doen. Geheel onverwacht won ik vervolgens met de column Progressie. Daarin beschreef ik een claustrofobische ervaring op het toilet van mijn studentenhuis, die ik vervolgens ten overstaan van een beleefd lachend College van Bestuur moest voorlezen. Na die vuurdoop droeg ik een jaar lang de titel Campuscolumnist. Ik schreef onder andere over het verbod op Spekman-truien, de relatie met mijn studentenfiets en te moeilijke namen van opleidingen. Reacties kwamen van alle kanten: mijn columns werden gebruikt als voorbeeldmateriaal in schrijfworkshops en inspireerden artikelen, maar mijn vertrek kwam me ook op mijn eerste polemiek te staan.

In 2013 nam ik daarnaast plaats in de jury die de nieuwe Campuscolumnist aanwees.

 

 

 

De Telegraaf

 

Probeert u zich in te beelden dat uw foto wekelijks enkele tienduizenden keren wordt afgedrukt, ‘s zaterdags op deurmatten door de regio ploft en vervolgens op de leesstapel belandt. Wat gebeurt er dan rond woensdag? Precies, u eindigt als vliegenmepper of kattenbakvulling, of wordt met een hoofd vol aardappelschillen en broccoliresten in de groenbak gemikt. Dat idee van vergankelijkheid heb ik dus wel onder controle.

– Fragment uit ‘Tot Kattenbaks’, afscheidscolumn in de laatste Utrechtbijlage

 

In 2012 lanceerde De Telegraaf een regionale zaterdagbijlage voor Utrecht en omgeving met een oplage van 25.000 stuks. Op pagina 3 verzorgde ik, tot en met de laatste bijlage in 2016, een luchtige column over alles wat te maken had met het leven in Utrecht. De onderwerpen liepen sterk uiteen, van mijn eigen beschouwingen over volwassen worden tot de Utrechtse politiek en de positie van de universiteit in de stad, maar vrijwel altijd met een gezonde dosis zelfspot. Met 89% lezerswaardering heb ik bij een boel lezers bijgedragen aan een gezellig weekend.

Hieronder een kleine selectie van mijn columns voor De Telegraaf.

 

Nee, die uitgroei was in het echt niet zo duidelijk te zien, en ja, daar heb ik post van bezorgde lezers over ontvangen

 

Herenleed

Af en toe komt een nieuwsbericht voorbij, dat je onmiddellijk naar de datum doet kijken. In negen van de tien gevallen wordt vervolgens bevestigd wat je al vermoedde: verhip, het is vandaag 1 april.

Een zeldzaam tiende geval diende zich vorige week aan.

In een poging om Hoog Catharijne nieuw leven in te blazen, komt Corio met iets vernuftigs: de ShopBoy. Jonge mannen in strakblauwe pakken, die winkelende vrouwen desgewenst assisteren bij hun strooptocht. Complimentjes geven, de juiste maat zoeken, tassen dragen… Ik geef toe, het maakt een bezoek aan het winkelcentrum, uh, interessanter.

Het is in ieder geval gelukt om míj te lokken.

Gewapend met een muntje van twee euro – dat is namelijk nodig om in de armband van de ShopBoy te stoppen, zodat hij losgemaakt kan worden van de ShopBoy-keten – heb ik heel Hoog Catharijne doorkruisd. Er wordt, heel slim, namelijk nergens vermeld waar of wanneer de ShopBoys te vinden zijn. Ik kon ze dus niet vinden.

Misschien waren alle ShopBoys al verhuurd. Of waarschijnlijker: ze zijn van ellende weggerend. Een studie onder Britse mannen wees namelijk uit dat mannen zich gemiddeld al na 26 minuten winkelen doodvervelen, terwijl vrouwen het enkele uren uithouden. Acht op de tien mannen zegt bovendien een hekel te hebben aan winkelen met hun vriendin, wat dus neerkomt op drie van de vier ShopBoys die daar aan elkaar geketend staan te wachten op het noodlot.

Het noodlot, ja. In 2013 pleegde een Chinese man zelfmoord in een winkelcentrum, door van de schoenenverdieping omlaag te springen nadat zijn vriendin het vertikte om het winkelcentrum te verlaten. Daar was slechts vijf uur winkelen voor nodig!

Ik probeerde me te verplaatsen in de psyche van de man. Stel, je bent een ShopBoy in nood – waar zou je naartoe vluchten? Denk, denk, denk.

Ha. De ManCave. De enige plek in Hoog Catharijne waar mannen hun oerinstincten kunnen botvieren op gadgets, vrouwen en auto’s. Eenmaal aangekomen bleek er echter geen enkele ShopBoy te vinden, laat staan te huren, in de ManCave. Sterker nog, er was helemaal niemand te bekennen.

Blijven er dus twee mogelijkheden over. Of het is inderdaad een verlate 1-aprilstunt, óf het gaat om een nieuwe, oprechte poging om winkelen in Hoog Catharijne tot een ‘ervaring’ te maken.

Ik ben benieuwd of het net zo’n doorslaand succes wordt als de ManCave.

V-woorden

Mijn rijbewijs. Of nee, mijn ID-kaart. Hm, toch dat rijbewijs maar. Ik moet me kunnen legitimeren, en als ik die kwijtraak is het minder erg.  Ah, en mijn zorgpas, voor het geval iemand me het ziekenhuis in mept. Horloge thuis, bril af en alleen het noodzakelijke mee. Heb ik alles? Toch maar een extra keer controleren.

Ik ben geen spontaan mens. Dat heeft nooit in mijn aard gezeten, maar sinds ik nergens meer met korting naar binnen mag en als ‘volwassen’ word aangemerkt, heb ik aanmerkelijk meer last van bijkomende V-woorden. Verantwoordelijkheid, verstandigheid, en daarmee verzuring.

Volwassen worden lijkt bij vlagen op het inmaken van een augurk. Weinig poëtisch, en alleen daarom al een passende omschrijving.

Dat verzuren probeer ik tegen te gaan. Daarom deed ik afgelopen zaterdag mee met de World Pillow Fight Day, en was ik één van de tweeduizend mensen die elkaar met een kussen te lijf gingen op het Domplein.

Na een grondige voorbereiding begaf ik me met mijn kwaliteitskussen richting de Dom. Dat kussen had ik een maand eerder, in een vlaag van verstandigheidsverbijstering, vervangen wegens vermoedelijke allergieën. Stiekem hoopte ik dat het niet kapot zou gaan, zodat ik het op zou kunnen bergen voor het geval ik ooit plots een kussen nodig had.

Desondanks mepte ik er op los alsof mijn leven er vanaf hing. De eerste paar slagen waren genoeg om mijn volwassen frustraties af te reageren – pak aan, voor de spaarrente onder de 1%!  Hier, voor alle ellende in de wereld! Daarna ging het knopje om. Ik weet er weinig meer van, maar stond te kirren als een kleuter.

Eenmaal thuis legde ik mijn kussen, dat de strijd inderdaad had overleefd, op een apart plekje neer. Toen ik me de reden daarvan realiseerde – ik had dat joch met die vieze dreadlocks vol op zijn hoofd gemept, en dit kussen is niet machinewasbaar – vreesde ik heel even dat mijn kruistocht tegen al die V-woorden voor niets was geweest.

De verlossing kwam in de vorm van een commentaar op internet, geplaatst bij foto’s van het kussengevecht. “Lache!! Not! Ruimt organisatie zelf rommel op?” Ergens in mijn achterhoofd maakte een klein stemmetje zich los van de vraag of ik mijn huur al had betaald, en hoeveel wc-papier er nog in huis was.

Zuurpruim!, riep het. En wat uiteindelijk overbleef was, wonderlijk genoeg, de V van voldoening.

Filatelie

Fila-wat? Postzegels verzamelen. Totdat afgelopen week mijn oude verzameling op de zolder van mijn ouderlijk huis opdook, had ik ook niet eerder van het woord gehoord.

“Kijk eens wat leuk!”, riep mijn moeder. Als kind had ik allerlei dierenpostzegels verzameld – pardon, was ik een serieus faunafilatelist. Maar postzegels verzamelen is niet hip meer, net als schrijven met een penvriendin en andere lo-tech zaken waar je in de jaren ’90 moeilijk omheen kon.

“Ach, gooi toch weg.” Ik liet mijn vingers over de zegels glijden en stopte bij een exotisch uitziend exemplaar van veertig jaar oud. “Of zou het nog wat waard zijn?”

Voor ik het wist, zat ik in de trein terug naar Utrecht. Mét postzegelverzameling, en eurotekens in mijn ogen. Dat is zo heerlijk aan de stad: waar je op het platteland aangewezen bent op de eerstvolgende opnames van Tussen Kunst en Kitsch, loop je hier gewoon met je handel binnen bij de speciaalzaak op de hoek.

Daar legde ik het album zo nonchalant mogelijk op de toonbank. “Ik dacht, misschien is het wat.” Naast me stond een verrassend modern ogende jongen, met ruitjeshoed en ringbaard. Een hipster. Hij bestudeerde een vel postzegels met een vergrootglas, waarbij hij bijzonder nerveus overkwam. Filatelie is een serieuze zaak.

In gedachten ging ik mijn lijstje af. Voor elk bedrag dat ik voor het album zou krijgen, had ik iets bedacht om ervoor terug te kopen. Een cd, een dekbedovertrek, zelfs een spelcomputer… “Dat is vast wel 300 euro waard!”, had een kennis immers geroepen.

De dienstdoende expert sloeg het album open. Binnen een halve seconde, nog op de eerste pagina, velde hij al een vernietigend oordeel. “Nee… Nee, dit is waardeloos.” Voor de vorm ging hij de overige twintig pagina’s nog langs, om vervolgens troostend op te merken: “Ik wil er met liefde vijf euro voor geven, maar je kan het beter aan een kind geven.”

Voor vijf euro had ik niks bedacht.

“Uh,” zei ik beschaamd, “dan doe ik dat maar.” De expert knikte begripvol. “Niet allemaal tegelijk hoor, dan verwen je ze teveel. Daar heb ik mijn kinderen mee verpest!” De hipster gniffelde op de achtergrond. Weer zo’n geldbeluste twintiger die bot vangt.

Ach, met postzegels verzamelen help je een kind waarschijnlijk niet zo snel naar de filistijnen. Nee, dan geld verzamelen – een volwassen hobby! Financelie, zullen we het maar noemen. Als je maar lang genoeg wacht, verpest dat kind zichzelf wel.

Misschien moet ik toch maar weer filatelist worden.

 

 

Ik schopte het zelfs eenmalig tot covermodel van de Utrechtbijlage.